Regelmatig worden bij archeologische opgravingen vondsten gedaan die tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn achtergelaten door militairen van buitenlandse mogendheden. Het internationaal recht schrijft voor dat deze voorwerpen nog altijd eigendom zijn van die mogendheden. In de kamerbrief visie Erfgoed uit de Tweede Wereldoorlog van november 2019 heeft de minister van OCW aan de Kamer toegezegd in gesprek te gaan met de landen, om te komen tot duidelijke afspraken over de omgang met deze vondsten.

Binnenkort zal de minister aan de buitenlandse mogendheden een handelingsrichtlijn voorstellen. In de tussentijd vragen wij iedereen te werken ‘in de geest’ van deze handelingsrichtlijn. Wij vragen certificaathouders om bijzondere WOII-vondsten zo snel mogelijk te melden bij de RCE, zodat in samenwerking met de ministeries van Buitenlandse Zaken en Defensie contact kan worden gelegd met de ambassade van de buitenlandse mogendheid. Onder bijzondere WOII-vondsten wordt het volgende verstaan:
1. Menselijke resten of tot op persoon herleidbare voorwerpen afkomstig van buitenlandse militairen uit de periode van 1939 tot en met 1945;
2. Vondsten die komen uit gezonken schepen die onder soevereine immuniteit vallen;
3. Uitzonderlijk gave of zeldzame vondsten uit deze periode.
De overige vondsten uit de periode 1939 tot en met 1945 hoeven niet apart gemeld te worden (de reguliere Archismelding volstaat) en kunnen vooralsnog worden behandeld als reguliere archeologische vondsten conform de artikelen van de Erfgoedwet.













Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *